Werkwijze

Huisdier gevonden

Vrijwel overal in het land zijn dierenambulances actief. Al deze dierenambulances zijn bereikbaar onder een algemeen landelijknummer 0900-0245 waarna wordt doorverwezen naar de juiste afdeling. Het eerste contact met een melder is, vergelijkbaar met elk alarmnummer van elke hulpdienst, heel belangrijk. Bij de ambulances komen niet alleen spoedmeldingen binnen, maar ook vragen over dieren of meldingen van gemiste en gevonden huisdieren. In het laatste geval zal de dienstdoende vrijwilliger meestal doorverwijzen naar Amivedi. Deze organisatie is gespecialiseerd in het koppelen van de gegevens van eigenaren van vermiste huisdieren aan die van vinders van huisdieren. Als een eigenaar zich niet binnen afzienbare tijd gemeld heeft bij Amivedi, zal de dierenambulance een gevonden huisdier komen ophalen en naar het asiel of de noodopvang brengen. Voorwaarde voor het ophalen van een huisdier is vaak dat het dier al ‘gevangen’ is, of in elk geval niet kan vluchten voordat de dierenambulance is gearriveerd.

Ander dier gevonden

Het kan ook voorkomen dat een melder een dier heeft gevonden dat ziek is, verdwaald is of op een onveilige plek verkeert. Denk aan een vleermuis in een schoolklas, een egel in de kelder, een vogel in de schoorsteen, een loslopende koe op straat. Voor al deze situaties moet de dienstdoende vrijwilliger van de dierenambulance een inschatting maken hoe ernstig de situatie is en wie het beste ter plaatse hulp kan bieden. Vaak wordt samengewerkt met politie, brandweer of Rijkswaterstaat. Altijd wordt samengewerkt met specialisten. Er zijn mensen die zich volledig hebben gespecialiseerd in de opvang en verzorging van bijzondere dieren, zoals roofvogels of reptielen of zelfs vogelspinnen. Het gaat dan soms om een stichting, maar er zijn ook veel mensen die dit werk op particuliere en vrijwillige basis doen. Zij vangen dieren op in een schuur aan huis of verlenen zelfs EHBO op hun eigen keukentafel. Het protocol van een dierenambulance wordt dikwijls geschreven in samenwerking en overleg met deze specialisten: zij weten precies waarop gelet moet worden bij de eerste hulpverlening. Hoe het verenkleed niet beschadigd wordt, hoe het transport geregeld moet worden, waarop gelet moet worden voor de eigen veiligheid.

Een reiger is bijvoorbeeld heel gemakkelijk te dragen ondanks zijn omvang, omdat hij bijna niets weegt. Maar het is belangrijk om zijn kop goed vast te houden, omdat hij naar de glinsterende ogen van zijn redder kan pikken. Speciale aandacht van de vrijwilligers zal moeten uitgaan naar het filteren van meldingen. Is een dier werkelijk in nood of denkt de melder dit alleen? Zo zitten vogels in de winter zelden werkelijk vastgevroren aan het ijs, al weet de melder dit nóg zo zeker. En een fuut aan wal is vaak niet gewond, maar kan door de vreemde stand van zijn zwempoten niet goed lopen. Eenmaal in het water zal hij dus meestal gewoon gezond en wel weg zwemmen. Een gierzwaluw kan, net als een vleermuis, niet zelfstandig vanaf de grond opvliegen. De zwaluw moet een handje geholpen worden door hem in de lucht te gooien, de vleermuis kan aan een boom gehangen worden. Deze laatste heeft ongeveer een halve tot één meter valhoogte nodig. Zo zijn er veel voorbeelden te noemen waarbij de melder kan denken dat er een dier in nood is, terwijl dit niet het geval is.

Dier gewond

Is een dier gewond, door een aanrijding of anderszins, dan zal de dierenambulance goed doorvragen over de toestand van het dier. De vinder of eigenaar krijgt tips voor het handelen ter plaatse. Dit verschilt niet veel van soortgelijke situaties met mensen: eigen veiligheid komt eerst, daarna probeert de aanwezige te voorkomen dat de toestand van de patiënt verergert. Soms is het al voldoende om ter plaatse aanwezig te blijven en het verkeer of de omgeving op afstand te houden, tot de medewerkers van de dierenambulance arriveren. Deze zijn zoals gezegd opgeleid om eerste hulp te verlenen.

Een dierenambulance mag in tegenstelling tot een humane ambulance of andere hulpdienst, géén blauwe zwaailichten voeren. Dat kan soms tot grote frustratie leiden, omdat het voor een dierenambulance moeilijk is om aan te geven dat men onderweg is naar een spoedgeval. Is de ambulance eenmaal gearriveerd, dan mag een oranje zwaailicht ter waarschuwing gevoerd worden om de locatie goed zichtbaar te maken voor overig verkeer. Ook als stapvoets gereden wordt, bijvoorbeeld zoekend in het donker naar een aangereden dier in de berm, mag oranje zwaailicht gevoerd worden.

Dier overleden

Blijkt een dier bij aankomst (of bij melding) al te zijn overleden, dan zijn ook daarvoor protocollen. Een huisdier zal, indien de eigenaar nog niet bekend is, naar het kantoor van de dierenambulance, overgebracht worden. Een beschrijving wordt doorgegeven aan Amivedi, zodat de eigenaar de kans krijgt zelf te beslissen wat hij met zijn overleden dier wil doen. Intussen hebben veel dierenambulances beschikking over een eigen afscheidsruimte. Daar worden overleden huisdieren netjes gewassen, geföhnd, gekamd, soms worden zelfs naar uitziende verwondingen provisorisch gerepareerd. Daarna wordt het dier gelabeld en in een bakje in de speciaal daarvoor bestemde diepvries bewaard. Als de eigenaar zijn dier komt ophalen of afscheid wil nemen, wordt het netjes opgebaard op een kleed of kussen.

Overig

De dierenambulance vervult vaak ook de functie van dierentaxi: tegen betaling en op afspraak kunnen huisdieren naar pension, dierenarts of trimsalon gebracht worden. Sommige ambulances bieden ook verzorgende taken aan als het toedienen van tabletten of aanleggen van verbanden. Verder is er vaak een voorlichtende rol. Op scholen, open dagen of evenementen vertellen de medewerkers over hun werk, bijzondere gebeurtenissen en geven zij tips over de verzorging van dieren en het voorkomen van leed en ongelukken. Medewerkers van de dierenambulance maken veel bijzondere gebeurtenissen mee tijdens hun carrière en deze evenementen staan dan ook garant voor boeiende verhalen en leerzame tips. Het geeft de dierenambulance bovendien de gelegenheid zich te profileren als goed doel, omdat zij steun in de vorm van giften en donaties hard nodig hebben om hun werk te kunnen doen.